Eind negentiende eeuw maakte een steker de straten van Amsterdam onveilig. Tenminste acht meisjes en jonge vrouwen werden slachtoffer, één van hen overleed.
De 'steker van Amsterdam' sloeg voor het eerst toe in december 1896, en voor het laatst in november 1898. Zijn slachtoffers waren jonge vrouwen, en zijn modus operandi was meestal als volgt: in de donkere maanden van het jaar, (november, december en januari), in de vroege avond, liep hij zijn slachtoffer op straat tegemoet, of benaderde haar van achteren, en stak haar snel met iets scherps in haar rechterschouder, waarna hij zich uit de voeten maakte. Veel slachtoffers dachten in eerste instantie dat hij ze een stomp had gegeven.
| Bron: Amsterdams Stadsarchief |
De aanvallen
Elisabeth Alida Jacobi (1896)
Het eerste slachtoffer, de zestienjarige Elisabeth Alida Jacobi, was op 11 december 1896 ’s avonds na haar dienst in de Van Baerlestraat, op weg naar haar huis in de Daniël Stalpertstraat. Er liep een man met een lange jas voor haar. Op een plek waar geen lantaarns stonden, draaide hij zich om en kwam op haar af. De klok sloeg net negen. Hij vroeg: ‘Is dat niet negen uur?’, haalde zijn hand uit zijn jaszak en stak haar twee keer met een scherp voorwerp, eerst in haar arm en toen in haar borst. Toen er een fietser aankwam, ging de man er snel vandoor. De fietser bracht Elisabeth thuis. De verwondingen bleken niet ernstig.
Hendrika Beyer (1896)
Een week later, op 18 december 1896 aan het eind van de middag, stapte een dienstmeisje de boekwinkel aan de P.C. Hooftstraat in Amsterdam binnen. Haar vader was onlangs overleden en zij kocht een rouwbedankkaartje.
Rond zes uur ’s middags werd zij dood gevonden in de Van Eeeghenstraat. Aanvankelijk wist men niet wie zij was, men schatte haar 30 à 35 jaar, zij droeg rouwkleding en een rouwhoed en had een dienstbodemuts bij zich, gewikkeld in een krant, plus een huissleutel, een portemonnee met ruim Fl. 2,50, een zilveren horloge, een zilveren ringetje, een spiegeltje en een zakdoek gemerkt ‘H’.
Twee diepe steekwonden, één in haar hals en één in haar rug, waren haar fataal geworden.
- Identificatie
’s Avonds meldde haar verloofde, De Jager, zich op het politiebureau. Hij had tot tien uur ’s avonds gewerkt en las in de krant een beschrijving van het moordslachtoffer. Die beschrijving leek op zijn vriendin. En inderdaad, zij was het. Het ging om Hendrika Beyer, 21 jaar (een heel stuk jonger dus dan geschat!). Zij woonde aan de Rozengracht 37 en diende bij het echtpaar Teutenberg aan de Willemsparkweg 66. Hendrika’s oudere broer kwam ook naar het politiebureau, en bevestigde dat de dode zijn zusje was.
Op 29 december 1896 werd Hendrika onder grote publieke belangstelling begraven op het katholieke kerkhof ‘De Buitenveldert’.
- Getuige
Die bewuste avond had een jongetje iets verdachts gezien. Hij ging rond zes uur een boodschap doen, en liep met zijn hond door de Van Eeghenstraat, toen hij naast het perceel van nummer 24 een man zag. Dat wil zeggen, hij zag alleen diens hoofd en schouders uitsteken. De stoep liep hier niet verder door omdat er nog geen huizen stonden, achter de stoeprand lag een zandhelling, die afdaalde naar een schutting in de diepte. De jongen schrok van de aanblik van de man en liep snel door. Hij zag alleen dat de man een pet droeg, verder kon hij geen goede omschrijving geven.
Maria Hoek (1897)
De moordenaar van Hendrika werd niet gevonden. In januari 1897 sloeg de steker weer toe. De 31-jarige Maria Hoek, dienstbode in de Spinozastraat, ging op 6 januari ’s avonds rond negen uur naar de kruidenier. Op de terugweg liep er een lange man voor haar die in een portiek verdween. Plotseling kwam hij weer tevoorschijn, liep recht op haar af en sloeg haar met een scherp voorwerp boven de rechterborst, iets onder de schouder, waarna hij er snel vandoor ging. Eerst voelde Maria niks, zij dacht dat zij een stomp had gekregen en een blauwe plek had, maar zij bleek een snijwond van ongeveer 1,5 cm te hebben. De wond moest gehecht worden, en Maria kreeg een paar dagen bedrust voorgeschreven. Van haar aanvaller kon zij alleen zeggen dat het iemand was uit de ‘volksklasse’, met een korte jas en een pet.
Anna Christina Kempers (1897)
Nog geen twee weken later, op 19 januari 1897, ging de negentienjarige dienstbode Anna Christina Kempers ’s avonds om kwart over zeven een boodschap doen in de Haarlemmer Houttuinen. Plotseling werd zij door een man van achter in haar schouder gestoken. Hij liep snel door, zij zag alleen zijn rug. Hij droeg een pilo broek, een donkere jas en een bontmuts. Christina dacht dat de man haar gestompt had, totdat zij hevige pijn kreeg. Zij bleek een ondiepe wond te hebben in haar rechterschouderblad.
Aan de politie vertelde zij dat zij Hendrika Beyer kende, zij hadden elkaar een paar maanden geleden ontmoet op een bruiloft. De politie verhoorde alle mannelijke bruiloftsgasten, veertig in totaal, maar dat leidde niet tot een arrestatie.
Catharina (Cato) Ramus (1897)
Het werd november. De zestienjarige Cato Ramus werkte in een mode-atelier aan de Herengracht. Zij liep op 27 november rond zes uur ’s avonds naar huis toen iemand haar een stomp op de rug gaf. Toen zij zich omdraaide zag zij een man met een pet haastig weglopen. Cato bleek met een scherp voorwerp in de rug te zijn gestoken, een van haar longen was geraakt, en zij moest met spoed naar het ziekenhuis, waar zij een paar weken in kritieke toestand verkeerde. Pas na twee maanden mocht zij naar huis.
Klara Jeanette de Vries (1897)
Het was twee weken later, 11 december 1897. De vijftienjarige Klara Jeanette de Vries bracht even na zevenen ’s avonds voor haar moeder, een wasvrouw, een paar japonnen naar de Westerdokstraat. Toen zij aanbelde, kwam er op straat een man voorbij lopen die haar over de schouder in haar linkerborst stak. Het meisje werd naar het ziekenhuis gebracht. Gelukkig was de wond niet ernstig. Zij omschreef haar aanrander als een lange man met baard en knevel. Hij droeg een bontmuts, een grijze pilo broek, een blauwe kiel, en daaroverheen een kort jasje.
Margaretha Marinus (1898)
Weer verstreek bijna een jaar zonder dat de dader gevonden werd. Op 21 november 1898 was de 21-jarige Margaretha Marinus rond zes uur ’s avonds op weg naar haar vriend in de Govert Flinckstraat, toen een jongen die haar tegemoet liep op de Nicolaas Witsenkade een stomp gaf op haar rechterschouder, ter hoogte van haar sleutelbeen. Bij haar vriend ontdekte zij dat zij een snee had van 2 cm breed en 1,5 cm diep. De steek was niet levensbedreigend, maar moest wel in het ziekenhuis verbonden worden. Zij had veel pijn en kon een tijdje niet werken.
Antonia (Cato) Heiloo (1898)
Op het moment dat Margaretha bij de politie zat om aangifte te doen, kwam het bericht binnen dat er nog een meisje was aangevallen. Het ging om de vijftienjarige Cato Heiloo. Zij kwam uit dienst aan de Van Eeeghenstraat 24 en ging naar huis, de Derde Oosterparkstraat. Een veerman op de Nicolaas Witsenkade zag dat een man eerst een tijdje naast Cato liep, hoorde toen gegil, en zag de man snel wegrennen. Een andere getuige, Melcher Tilmers, ging achter de aanvaller aan, maar die had een voorsprong en ontkwam. Een voorbijganger had hem naar de Schans zien rennen.
Cato had een wond in haar rechterschouder. Melcher bracht haar naar een apotheker, die haar doorstuurde naar het ziekenhuis. Zij raakte niet levensgevaarlijk gewond, het voorwerp waarmee zij gestoken was, was afgeketst op het sleutelbeen. Maar de wond was erg pijnlijk. Zij lag een tijdje in het ziekenhuis. Cato kon een goede omschrijving van haar aanvaller geven. Die werd niet gedeeld met de kranten, zij konden alleen vertellen dat het om een ‘middelbare man’ ging (in tegenstelling tot de ‘jongen’ die Margaretha gezien meende te hebben).
Vanaf dit moment werd er in de kranten gesproken over ‘de steker’. De politie loofde een beloning uit van 500 gulden.
Verdachten
Na een steekaanval werd zo’n beetje ieder incident met een meisje of vrouw gemeld op het politiebureau, en daarbij zaten ook allerlei verzonnen verhalen. Dit bemoeilijkte het werk van de politie. Na de moord op Hendrika Beyer in 1896 ontving zij door het hele land brieven van mannen die beweerden dat zij de moordenaar waren. De politie nam die brieven niet al te serieus. Ook niet de brief die de stiefmoeder kreeg, waarin iemand beweerde dat hij zich vergist had. Zijn motief was jaloezie. Hij had een ander meisje op het oog gehad, en bood zijn verontschuldigingen aan.
In de jaren dat de aanrandingen plaatsvonden werden verschillende mannen opgepakt, maar er werd niemand veroordeeld.
Dolkmesje
Tot er in december 1898 een serieuze verdachte in beeld kwam voor de aanvallen op Cato en Margaretha in november. Het was Evert O., een ‘los werkman’ van rond de dertig die nog bij zijn ouders en vier zussen in de Hoedemakersstraat woonde. Margaretha had de man zien lopen vanuit haar huis, en meende in hem haar aanrander te herkennen. Ook Cato Heiloo herkende hem. De voerman die haar naar de apotheker had gebracht herkende alleen de pet. De meisjes die eerder gestoken waren wisten niet zeker of Evert O. hun aanrander was.
Evert had geen slechte reputatie, behalve dat hij wel van een borreltje hield. Bij een huiszoeking vond de politie in een pijpenkistje van Everts vader een roestig dolkmesje. Vader had het mesje drie jaar eerder opgeraapt van straat en gebruikte het om zijn pijpen uit te halen.
Was dit het wapen van de steker? Maar Evert had een waterdicht alibi voor 21 november. Hij was thuis, bij zijn ouders en zussen. Pas na negenen was hij op stap gegaan om werk te zoeken. De politie liet hem gaan.
Nieuwe aanvallen kwamen er na 21 november 1898 niet meer. Ondanks alle naspeuringen van de politie en de uitgeloofde beloning van Fl. 500, is de Amsterdamse steker nooit gevonden. (Of stekers?)
Achtergrondinformatie
| Gang aan de Rozengracht tussen 37 en 49. Bron: Stadsarchief Amsterdam. |
Hendrika Maria Cornelia Beijer
Hendrika’s moeder was Catherina Elizabeth van Nes. Zij trouwde in 1874 op haar 20e met de toen 32-jarige Gijsbertus Gerardus Beijer, rietdekker. Hendrika werd geboren op 24 augustus 1875, aan de Rozengracht 47 in Amsterdam.Het echtpaar kreeg nog een tweede dochter, Gijsberta (1878). Zoontje Cornelius (1880) overleed met 5 maanden. In juni 1884 stierf Catherina, ik vermoed in het kraambed na de geboorte van de tweede Hendrika, (Hendrika Leonarda Wilhelmina), die ook maar 5 maanden oud werd.
Gijsbertus hertrouwde in 1884 met de toen 46-jarige Willemijntje Bolt. In het archief staat bij het huwelijk van Gijsbertus met Willemijntje: ‘erk. 1 kind’. Dat zal Klaas Jurgen zijn geweest, hij werd geboren in 1867 en was vernoemd naar de vader van Willemijntje, die Claas Jurgen heette.
Gijsbertus overleed tien dagen voor de moord op zijn dochter na een lang ziekbed. Willemijntje had maandenlang voor hem gezorgd. Na zijn dood moest zij van alles verpanden om rond te kunnen komen, zelfs haar lijfgoed. Zij woonde met haar twee stiefdochters in een schamele behuizing, een donkere bovenkamer aan de Rozengracht 37. Klaas woonde daar volgens de kranten ook, hij was in 1894 getrouwd.
| Achterzijde Derde Oosterparkstraat. Bron: Stadsarchief Amsterdam |
Cato (Antonia) Heijloo
Cato werd geboren op 2 juni 1883. Over haar is wat meer informatie te vinden dan over de andere slachtoffers, omdat haar moeder (Teuntje van IJzendoorn) na de aanval op Cato door de krant geïnterviewd werd. Cato woonde aan de Derde Oosterparkstraat 49, haar vader Jan Heijloo werkte in de Wester Suikerfabriek. Zij had negen broers en zussen, ‘brave, oppassende kinderen’, volgens haar moeder. Van de zes zonen waren er drie slijper, en één was bakkersbediende. Een paar dochters waren dienstmeisje, en er zaten nog enkele kinderen op school. Onlangs hadden de ouders hun 25-jarig huwelijk gevierd en de kinderen hadden daar veel werk van gemaakt.
Die kinderen waren: Hendrik (1874), Alida (1876), Albertus (1877), Jan (1878), Cornelis (1882), Antonia (1883), Heintje (1885), Willem (1888), Agatha (1891), en Johan (1893). Het elfde kind, dochter Elizabeth (1887), overleed met 8 maanden.
Ik vond Cato in het patiëntenregister van het Binnengasthuis, afdeling Vrouwen Verband, waar zij opgenomen was vanwege een ‘hemathotorax trauma Nicolaas Witsenkade door een onbekende man met een scherp voorwerp’.
Opmerkelijk: haar vader lag van 23 september tot 1 november 1898 in hetzelfde ziekenhuis op de afdeling ‘Mannen Verband’ met een schedelbasisfractuur, opgelopen tijdens zijn werk.
Cato trouwde in 1908 met Jan van der Tuin. Zij overleed in maart 1941, op 57-jarige leeftijd. In haar overlijdensverklaring staat dat de doodsoorzaak een longbloeding was, die veroorzaakt werd door ‘bronchiëctasieën’. Het echtpaar had één dochter, Elisabeth Antonia Wilhelmina van der Tuin (1909).
Bronnen:
- Delpher Historische kranten, boeken en tijdschriften
- Open archieven Genealogische gegevens van Nederlandse en Belgische archieven en verenigingen
- Stadsarchief Amsterdam
Reacties