In een kuil op een stuk weiland nabij het viaduct aan de Winterweg in de Haagse Spoorwijk, werd op 21 maart 1943 het levenloze lichaam van een meisje aangetroffen.
Om achter de identiteit van het meisje te komen, verspreidde de politie haar signalement. Zij was ongeveer 1 meter 65, fors gebouwd, had een bolrond gelaat, blond haar en blauwe ogen. Zij droeg een bril, en was gekleed in een bruine mantel met bontkraag met bruin gebloemde sjaal, en een donkerblauwe jurk, beige kousen en bruine schoenen. Zij had een fiets bij zich. Men schatte haar 18 tot 23 jaar oud.
Fondantjes
Het bleek te gaan om de zestienjarige Beppie, een Joods meisje dat bij verschillende families in Den Haag ondergedoken had gezeten. Veel mensen wilden haar niet langer in huis hebben, want zij perste hen af. Gaven zij haar geen geld en distributiebonnen, dan dreigde zij naar de Duitse politie te stappen om hen aan te geven. Vier gedupeerden beraamden een plan om het meisje uit de weg te ruimen. Op 20 maart besmeerde een van hen een aantal fondantjes met vergif.
Een 22-jarige de kappersbediende bij wiens ouders Beppie in huis had gezeten, ging de volgende dag met Beppie wandelen bij de Troelstrakade. Onderweg gaf hij haar een paar fondantjes te eten. Maar het gif werkte niet, en de man raakte in paniek, greep haar vast, en trok haar sjaal aan. Beppie zakte in elkaar. Twee medeplichtigen die van een afstand hadden toegekeken, kwamen aangefietst. Het plan was om het meisje in het water te gooien.
Op dat moment stond er op de naburige spoordijk een 15-jarige jongen. Hij meende te zien dat mannen op het landje bezig waren om gestolen fietsen te slopen, en waarschuwde zijn vader. Toen die bij de plaats delict arriveerde, fietsten er net een meisje en een jongen weg. Zij zeiden dat er een meisje onwel was geworden en dat zij een dokter gingen waarschuwen. In de kuil waar het levenloze lichaam van Beppie lag, trof de man de kappersbediende aan.
IJssalon
Aan de politie bekende de kappersbediende de wurgpoging. Hij beweerde dat hij het meisje die dag in een ijssalon had ontmoet en dat hij niet wist hoe zij heette. Het motief voor zijn daad bleef onduidelijk, totdat de identiteit van het slachtoffer bekend werd en het moordcomplot zich ontvouwde. Wegens poging tot doodslag kreeg hij zes jaar cel.
Beppie, (die eigenlijk Betje heette), trof een gruwelijk lot. Dat geldt helaas ook voor een groot deel van haar familie. Een maand voor haar dood werden haar beide ouders omgebracht in Auschwitz. Ook de man van haar oudere zus Lea werd in Auschwitz vermoord. Lea overleefde als enige van het gezin de oorlog. Zij hertrouwde en emigreerde naar Amerika.
Om achter de identiteit van het meisje te komen, verspreidde de politie haar signalement. Zij was ongeveer 1 meter 65, fors gebouwd, had een bolrond gelaat, blond haar en blauwe ogen. Zij droeg een bril, en was gekleed in een bruine mantel met bontkraag met bruin gebloemde sjaal, en een donkerblauwe jurk, beige kousen en bruine schoenen. Zij had een fiets bij zich. Men schatte haar 18 tot 23 jaar oud.
Fondantjes
Het bleek te gaan om de zestienjarige Beppie, een Joods meisje dat bij verschillende families in Den Haag ondergedoken had gezeten. Veel mensen wilden haar niet langer in huis hebben, want zij perste hen af. Gaven zij haar geen geld en distributiebonnen, dan dreigde zij naar de Duitse politie te stappen om hen aan te geven. Vier gedupeerden beraamden een plan om het meisje uit de weg te ruimen. Op 20 maart besmeerde een van hen een aantal fondantjes met vergif.
Een 22-jarige de kappersbediende bij wiens ouders Beppie in huis had gezeten, ging de volgende dag met Beppie wandelen bij de Troelstrakade. Onderweg gaf hij haar een paar fondantjes te eten. Maar het gif werkte niet, en de man raakte in paniek, greep haar vast, en trok haar sjaal aan. Beppie zakte in elkaar. Twee medeplichtigen die van een afstand hadden toegekeken, kwamen aangefietst. Het plan was om het meisje in het water te gooien.
Op dat moment stond er op de naburige spoordijk een 15-jarige jongen. Hij meende te zien dat mannen op het landje bezig waren om gestolen fietsen te slopen, en waarschuwde zijn vader. Toen die bij de plaats delict arriveerde, fietsten er net een meisje en een jongen weg. Zij zeiden dat er een meisje onwel was geworden en dat zij een dokter gingen waarschuwen. In de kuil waar het levenloze lichaam van Beppie lag, trof de man de kappersbediende aan.
IJssalon
Aan de politie bekende de kappersbediende de wurgpoging. Hij beweerde dat hij het meisje die dag in een ijssalon had ontmoet en dat hij niet wist hoe zij heette. Het motief voor zijn daad bleef onduidelijk, totdat de identiteit van het slachtoffer bekend werd en het moordcomplot zich ontvouwde. Wegens poging tot doodslag kreeg hij zes jaar cel.
Beppie, (die eigenlijk Betje heette), trof een gruwelijk lot. Dat geldt helaas ook voor een groot deel van haar familie. Een maand voor haar dood werden haar beide ouders omgebracht in Auschwitz. Ook de man van haar oudere zus Lea werd in Auschwitz vermoord. Lea overleefde als enige van het gezin de oorlog. Zij hertrouwde en emigreerde naar Amerika.
Reacties