Doorgaan naar hoofdcontent

De gedumpte baby’s

De een werd te vondeling gelegd uit hebzucht, de ander uit wanhoop. Het verhaal achter de baby op de vuilnishoop (1891) en de baby in de trein (1917).

Westerdok. Prent van Felix Hess. Bron: Stadsarchief A'dam.

- De baby op de vuilnishoop

In juni 1891 kreeg de 53-jarige weduwe Maria uit Deventer, koopvrouw en kaartlezeres, van een ongehuwde moeder in die stad een baby van een paar dagen oud. Zij zou het jongetje in ruil voor f 25 tijdelijk verzorgen. Maar toen de moeder haar zoontje na een paar dagen weer op kwam halen, was het weg. Maria had het kind een dag nadat het bij haar was gebracht, om tien uur ’s ochtends in Amsterdam te vondeling gelegd op een vuilnishoop bij het Westerdok.

Dienstbode

Op 27 juni 1891 was inderdaad ‘een als dienstbode gekleed meisje’ (!) gezien dat een baby met speen achterliet. Toen zij betrapt werd, ging zij er snel vandoor. De vondelinglegster kon niet achterhaald worden. Een sigarenmaker en zijn vrouw adopteerden het jongetje.

De moeder van de baby was na de bekentenis van Maria in alle staten. Die dreigde: ‘Als je naar de politie stapt, krijg ik vijf jaar cel, maar jij krijgt twee jaar, want je hebt je kind te vondeling gelegd’. Uit angst deed de moeder geen aangifte. Maria bleef haar achtervolgen. Zij stuurde dreigbrieven en troggelde haar door de jaren heen f 150,00 af.

Aangetekende brief

De moeder trouwde na verloop van tijd met een timmerman en kreeg nog twee kinderen. Haar man wist niet dat zij voor hun huwelijk een kind had gekregen. Totdat er in 1899 een aan hem gerichte aangetekende brief arriveerde. Het gezin was verhuisd naar B., (onbekend welke plaats dat was), maar Maria had hun adres achterhaald. In de brief beweerde zij dat de baby sinds 1891 in een vondelingengesticht zat, en dat de kosten voor zijn verblijf 2,50 per week bedroegen. In acht jaar was dat bedrag behoorlijk opgelopen. Kortom, of het echtpaar maar even wilde dokken.

De echtgenoot besloot om bij Maria langs te gaan. Hij begreep algauw dat er met deze vrouw niet te praten viel, en diende een klacht in bij de officier van Justitie in Zutphen.

Rechtszaak

Er kwam een rechtszaak. Maria probeerde haar afpersingspraktijken te vergoelijken. Zij had alleen geld willen lenen van het echtpaar, en zou het eerlijk teruggeven. De dreigbrieven waren bedoeld om te ‘plagen’, zij was boos omdat de moeder in een van haar brieven schreef dat Maria op haar zak teerde.

In de krant werd Maria omschreven als een soort monster: ‘Zij krijste. Haar uiterlijk stemde overeen met haar handelingen. Dierlijkheid, hebzucht, onmenselijkheid, alles bijeen’.

Voor het te vondeling leggen van een baby en ‘afdreiging’, kreeg zij in november 1899 twee jaar en zes maanden cel. Zij zat eerst in het gevang in Zutphen, en verhuisde begin 1898 naar de Amsterdamse gevangenis. Op 8 mei 1902 zou zij vrijkomen,

Zo ver kwam het alleen niet. In de Nieuwe Gorinchemse Courant van 4 december 1900 staat haar naam in het rijtje overleden personen. Zij werd 63 jaar.

Het meest trieste van dit verhaal vind ik nog wel, dat het jongetje om wie het allemaal begon, al enkele jaren voor de rechtszaak overleden was.

- De baby in de trein

Op 27 oktober 1917 vond conducteur Janssen in de laatste sneltrein naar Maastricht ter hoogte van Beek een pakje onder een bank in een derde klas-coupé. Het bleek een meisje van ongeveer twee weken oud, gewikkeld in een zwarte doek.

Getuigen hadden een jonge vrouw met een baby in zien stappen in Den Bosch. Ze zat eerst in een coupé met een paar andere mensen, en verkaste toen zij naar eigen zeggen het kind moest voeden.

Men dacht dat zij in Roermond was uitgestapt. Oplettende medereizigers hadden gezien dat zij een envelop liet vallen met de naam ‘mej. Musch’ erop.

Zware hysterie

Vijf dagen later hield de veldwachter van Douvergenhout (Merkelbeek) de 21-jarige Louisa van Musch aan. Eerst ontkende zij dat zij haar dochtertje in de trein achter had gelaten, totdat de pleegouders met de baby binnenkwamen.

Louisa vertelde dat zij bevallen was in het Wilhelmina Ziekenhuis in Amsterdam. Zij wilde haar kind te vondeling leggen. Toen zij op 27 oktober met de trein terugreisde naar haar ouders, had zij het kind in Roermond onder een bank gelegd, en was in een andere wagon gaan zitten, waarna zij in Sittard was uitgestapt, en naar haar ouders in Douvergenhout was gelopen.

Rechtszaak

Op 11 december 1917 moest Louisa voor de rechter verschijnen. Haar huisarts, de heer de Wever uit Nuth, droeg verzachtende omstandigheden aan. Louisa leed volgens hem aan ‘zware hysterie en hevige zenuwpijnen’, en was verstandelijk beperkt. Een man had daar misbruik van gemaakt.

De uitspraak van de rechter stond gepland op 24 december 1917, maar de afloop vermelden de kranten niet. Misschien omdat het kindje, (dat naar haar moeder ‘Maria Louisa van Musch’ heette), op 22 december in Oud-Vroenhoven overleed, twee maanden oud.

Advertentie

De rest van Louisa’s leven verliep al niet veel beter. Zij trouwde in 1919 met de 31-jarige grondwerker Winand Ubachs. Hun kinderen, een dochter (1925) en een zoon (1931), werden doodgeboren.

In 1933 plaatste haar man een advertentie in ‘De Limburger’: ‘Ondergetekende verklaart hierdoor, dat de schulden door zijn vrouw L. Ubachs- van Musch gemaakt, niet door hem worden betaald. W. Ubachs, Leyenbroek’.

Een prelude op de scheiding, in 1934. Louisa overleed in 1942 in Sittard. Zij was 45 jaar.

Achtergrondinformatie

Maria Diezeraad

In de kranten wordt zij consequent ‘M.D.’ genoemd, weduwe van ‘Joh. T.’ Het dreigde een zoektocht te worden naar een speld in een hooiberg, totdat het gevangenisregister van Zutphen uitsluitsel gaf.

M.D. staat voor ‘Maria Diezeraad’. Zij werd geboren in Voorst, op 22 augustus 1837, en was drie jaar ouder dan de kranten vermeldden. (In het verhaal heb ik haar leeftijd al aangepast.) Misschien dacht zij dat zelf dat 1840 haar geboortejaar was, want in het gevangenisregister staat bij haar naam een doorgestreepte 1840, en daarnaast 1837.

Haar ouders waren Coenraad Diezeraad (1812-1869 = volgens 'MyHeritage'), boerenknecht, en Janna Stevens (1814-1872). Trouwjaar onbekend. Zij hadden nog twee andere kinderen: Gerrit-Jan (hij overleed in 1843, 2 jaar oud) en Johanna (1851).

In het gevangenisregister van Zutphen staat een omschrijving van Maria’s uiterlijk: 1.60 m, met bruin haar en grijze ogen, een dikke neus, een vooruitstekende onderlip en een ‘vlek op het linkeroog (verduistering van de lens)’. In het gevangenisregister van Amsterdam is een foto van haar te vinden.

In juni 1863 beviel Maria van een zoontje, dat net als haar overleden broertje ‘Gerrit Jan Diezeraad’ heette. De vader was onbekend. Het kindje overleed na een week.

Maria trouwde in 1871 in Amsterdam met Johannes Termer (5 december 1836), een suikerbakker. In 1882 lag hij twee weken in het ziekenhuis op de afdeling ‘mannenziekten’. Volgens ‘MyHeritage’ overleed hij in 1884. Het huwelijk bleef kinderloos.

Maria zal Amsterdam goed hebben gekend, waarschijnlijk legde zij de baby daarom in die stad te vondeling.

De biologische moeder is niet te achterhalen, er zijn geen initialen van haar, of andere aanknopingspunten.

Maria Louisa van Musch

Maria Louisa ('Louisa') van Musch werd geboren in Bingelrade, Zuid-Limburg, op 3 april 1896. Haar vader was Domenicus van Musch, landbouwer, en haar moeder Maria Elisabeth Sieben. Zij trouwden in 1891, toen ze allebei 27 waren. Het echtpaar kreeg nog een zoon en twee dochters, van wie er één jong overleed.

De pleegouders van de baby waren volgens de krant meneer en mevrouw Rinat, die zelf geen kinderen hadden, en zich in de trein over het meisje hadden ontfermd. Ik kan ze niet vinden in de archieven, ook niet met naamvariaties. Mogelijk woonden zij in Oud-Vroenhoven, de plaats waar het kindje overleed.

Bronnen

  • CBG Centrum voor Familiegeschiedenis 
  • Delpher Historische kranten, boeken en tijdschriften 
  • Open archieven Genealogische gegevens van Nederlandse en Belgische archieven en verenigingen 

Reacties

Populaire posts van deze blog